h1

21 tot 31 juli: Nomrog – Tsetserleg

juli 31, 2012

Kan verveling toeslaan in het land van de immer blauwe hemel? Hebben we hier dan nooit heimwee naar Meldert? We worden door beiden overmand  wanneer we richting Tosontsengel rijden. Gedaan met de pittoreske gravelwegels en motorpaadjes – we bevinden ons op een voetbalveldbrede autostrade waar we tussen washboard, zand en stenen onszelf de beste route moeten zoeken. Het verkeer stijgt exponentieel – naar wat we gewoon zijn dan – en we genieten niet altijd van de aandacht die we krijgen van Ulaanbaataren die ons op hun heen- of terugtocht van een familiebezoek als attractie en tussendoortje nemen. We forceren ons dan maar doorheen deze rit – de oortjes worden voor de eerste maal bovengehaald- en fantaseren over huiselijke noden en deugden, over onze respectievelijke moeders kookkunsten en dies meer.

Tosontsengel krijgt van ons enkel een korte pitstop – het is een doorgangsstadje en dat levert nu eenmaal weinig charme op. We blijven vooralsnog op de hoofdader naar Ulaanbaatar fietsen maar ontsnappen gelukkig aan het gedruis door lager gelegen graswegjes uit te zoeken met lokaal verkeer – voornamelijk moto’s en yaks.

In Ich-Uul zien we onze kans voor een rustiger traject en kiezen we voor het ommetje via Jargalant – een dorp dat vooral gekend staat om de grootste mens ooit – 2m75 asjeblief. We fietsen een volle 45 kilometer zonder een enkele tegenligger  – en met prachtzichten op de Gol Ider, die doorheen de vallei stroomt. Onderweg trekt een massa gieren de aandacht – er ligt een kadaver langs de weg en het feestmaal moet net begonnen zijn. We stoppen en kijken gefascineerd toe welke regels er gelden onder aaseters. Wie het lelijkst is, eet eerst, lijkt ons – tot een volwassen Pallas Zeearend neerstrijkt, en al het gevogelte rond zich wegsjot. Een tweede en derde jong exemplaar vervoegen het dode beest – het blijkt een familie-etentje te zijn. We rijden stilletjes verder om vooral niet te storen – van deze arend vliegen er niet veel meer rond.

De GPS kondigt een brug aan voor de rivieroversteek naar Jargalant. De coordinaten naderend zien we een immens gammel houtwerk dat ooit een prestigieuze brug moet geweest zijn – maar waar vandaag enkel Indiana Jones met een geladen fiets overheen zou rijden. Een betonnen vervanger wat verderop spaart ons dat avontuur, en zo belanden we in Jargalant waar het tot onze verbazing bruist van het leven. We eten een stevige portie tsuivan – pasta met schaap – om ons te sterken voor de monstercol naar het witte meer, Tsagaan Nuur. De klim brengt ons in Alpiene sfeer – stokoude dennen in weidse bloemenpracht – een boeket pimpernel vergezelt Griets sprint  naar de top – Freek zoekt afleiding tussen notenkrakers en witkopgorzen.

De Tsagaan Nuur ligt op een dagrit van Ulaanbaatar en is bijgevolg een toeristische topper voor stadsbewoners met centen – nooit hebben we zulk arsenaal aan blinkende 4×4’s gezien – tot acht cilinders aan toe. Een vulkaanlandschap met krater en ijsgrot zorgen voor extra attracties bovenop het befaamde friswatermeer. Wij verkiezen een ‘tourist ger camp’ in een nog relatief gave vallei boven het allegaartje aan kampen aan de meeroever. We eten er – conform de berichten van andere fietsers – op zijn best en proeven er onze eerste yaksteak. Een dag zonder fietsen brengt ons er ook wat dichter bij de gedomesticeerde fauna. Freek leert hoe je een yak neerhamert en vervolgens van neus tot staart uitkleedt, en samen gaan we voor kermisnostalgie tijdens een ritje Mongools paardrijden. Een vooraf vermoedde doch berekende sisser – we willen ons bij thuiskomst niet keer op keer verantwoorden waarom we in tachtig dagen Mongolie niet een enkele keer op een paard hebben gezeten…

Nog dertig kilometer grond en steen, en dan zou het vanzelf moeten gaan. We kijken met gemengde gevoelens toe naar de ‘paved road’ – het bolt wel aardig, maar beleeft lang zo intens niet. We voelen ons randverkeer nu we permanent en uit lijfbehoud de uiterste dertig centimeter van de weg bezetten. De tijd die we voordien spendeerden aan het zoeken naar het platste stukje piste en het ontwijken van obstakels, wordt nu vlot vol gepalaverd. We ontwikkelen ons tot wielplakkers om tegenwind te kleineren en drijven zo het tempo op – nog vijfhonderd te gaan.

Daags voor Tsetserleg kruisen we maar liefst drie lotgenoten – een recordconcentratie op de baan. Britney gaat als solofietster voor haar studies een jaar lang op zoek naar ervaringen over ‘death rituals’. Ze debuteert als fietstripper en ondanks onze bewondering voor haar moed en enthousiasme, doen haar bescheiden uitzet en zelfgebricoleerde doos kattenvoer als fietstas ons vermoeden dat ze dichter bij haar doel zit dan ze denkt. Zo denken ook Aitor en Eveline erover – het jolige Spaans-Italiaans fietskoppel dat we veertig kilometer verder kruisen en als bijna vanzelfsprekend alles weet over de andere fietsers in het land – we voelen ons nu stilaan een kleine gemeenschap. Een uur lang gaat de informatie over en weer – eerst over Mongolie, dan steeds verder dwalend naar Zuid-Amerika tot de outback van Australie – waar het koppel elkaar rondtrekkend leerde kennen. Samenhorigheid onder fietstrekkers voelt prettig, en doet ons heimelijk smaken naar meer. Zullen we anders die vlucht naar Brussel wijzigen en de koers op pakweg Sydney zetten?

In Tsetserleg is het onze maag die wederom de halte bepaalt – de Fairfield Guesthouse vult met zijn annex koffiesalon alle verwachtingen in. We spenderen voor een eerste keer wat tijd aan cultuur – hier staan nog enkele gebouwen die de Russen niet vernield hebben. Toeval brengt ons ook bij Nyam, een fietsfanaat die na 12 jaar Europa enigzins ontheemd opnieuw heil zoekt in zijn thuisland – dat in tussentijd drastisch veranderd is. Wij zien alvast een match in wording – Nyams onbegrensde passie voor fietsen en zijn taalvaardigheid maken hem een prima kandidaat om Joels enthousiaste plannen voor cyclotoerisme te helpen realiseren – a bon entendeur…

Of Nyam ook een prima visser is, weten we volgende keer te zeggen. Wij trekken straks samen naar de rivier  – de goesting in Mongoolse forel wordt ons te groot en we moeten nu eenmaal wat extra doelen stellen om een voortijdige aankomst in de grootstad te vermijden. Met een geimproviseerde vislijn – draad en haak van de markt, sprinkhanen in overvloed – gaan we een dag lang dromen van een heerlijke papillotte – blikje sardienen in de fietstas als backup. Tot hoors en mails in Ulaan Baatar.
Fotopagina van deze etappe vind je hier.

h1

13 tot 20 juli: Ulaangom – Nomrog

juli 20, 2012

Een doorsteek op het noordelijk randje van Mongolie – we verwachten ons aan het ergste. We vinden immers weinig referenties terug van andere fietsers, buiten dan die over zandbijten en schaars gevulde winkeltjes. We willen daarom alle mogelijke reserves inslaan in Ulaangom en dienen daar tot onze verbazing een heuse queeste van te maken – nergens valt een wortel of wat smeerkaas te vinden. Met ons lege vlootje in de hand, vinden we in de zeventiende winkel wat we zoeken en kopen we prompt de ganse stadsvoorraad ‘Happy Cow’ op – voor de wortelen vangen we trouwens bot, we zullen het met ajuin en droge paddestoelen moeten doen. Vervolgens nog snel de kushuur-barak binnenwippen, en weg zijn we.

We rijden langsheen het grootste meer van Mongolie – de Uvs Nuur – en daar willen we in een bocht omheen. Muggen en zand zouden er ons op de hoofdweg het leven zuur maken. We zoeken een oude wegel op die tegen de bergflank loopt – een tip van het Amerikaanse fietskoppel – en op het einde van de dag sluiks zelfs in de bergen sluipt. ‘Na dit colletje zijn we in Malchin’ belooft Freek – tot viermaal toe – en tot Griet er de brui aan geeft. Tevergeefs verlangen naar het einde van een klim werkt verlammend op de spieren. We slaan kamp op aan een steile rotswand waar een nest Sakervalken met veel spektakel gevoerd worden – tegen donker beginnen nachtzwaluwen te ronken. We slapen hier heerlijk goed – telkens weer en ongeacht de krappe tent. Een enkele slaapkus en de ogen vallen hier prompt toe – vermoeid, ongetwijfeld maar ook onbekommerd en eenvoudigweg voldaan over onze enigste dagtaken – fietsen en eten maken – slapen vervoegt dan logischerwijze het rijtje. Wakker liggen is iets wat we blijkbaar enkel thuis doen.

Een nacht en nog drie cols verder krijgen we in Malchin de keuze – langs of doorheen de bergen naar Kyargas. Onze zandvrees duwt ons de bergen in – de minst populaire route onder locals – en doet de GPS en armspieren op volle toeren draaien – moeten we hier echt omhoog? We halen die dag Kyargas niet meer, maar zijn desondanks blij met de route, overweldigd door de bloemenpracht – van gele walstro tot paarse klokjes – en het heerlijke gevoel om door hoog gras scheurende motorpaadjes te rijden.

We maken daags nadien veel kilometers goed – vlotte gravel en vooral stevige wind in ons achtersteven doen ons over Malchin tot in Baruunturum vliegen – we breken met haast tachtig kilometer ons dagrecord. Ook na Baruunturum blijft het ritme strak – we zijn verbaasd over hoe vlot we die Noordelijke route verteren. Blogs en roadbooks beloofden ons zand en ellende – en wij fietsen over de beste wegen die we tot nog toe onder de wielen kregen. De weg naar Tes misschien, die scheert rakelings langs de Altan Els – een groot zandduinenreservaat – zou ons tij daar keren?

Op Griets verjaardag – omelet in poedervorm als extraatje van de dag – zien we de Altan Els’ duinen aan de horizon systematisch dichter komen. We doorkruisen nog een laatste dorpje waar we met ongeloof en zonder afdoende verklaring een machinepark aan pikdorsers en tractors opmerken – rondom alleen droge steppe met links en rechts een koe of geit. ‘Een laatste klim en dan zitten ze bijna in de duinen’ belooft Freek – we willen kost wat kost daar een zonsondergang zien. Voorbij de top geen gele maar felgroene vlekken in het landschap – een indrukwekkende graansteppe, hier nog pril en groen groeiend, strekt zich uit tot tegen een droge zandwoestijn. Een natte droom voor Freek – die hierin een voorbeeld-akkervogel-vlakte herkent, enkel een maatje groter dan bij ons – tientallen steppearenden jagen er op hamstergrote muizen. ‘s Avonds zien we vanop ons verhoopte plekje hoe vrachtwagens veel stof opwaaiend rakelings langs de duinen scheuren – dat zal die verdoemde route dan wel wezen.

Na Tes gaat het terug landinwaarts. We zoeken op onze oude Russische kaart en op lokaal advies een geheel eigen trace uit en vinden een prachtige doorsteek naar het zoutmeer nabij Nomrog – een gezapig lange dagrit stroomopwaarts – met dan toch wat zand op de top – gevolgd door een afdaling van vijftig kilometer – waar we de zogezegde bescheiden centrale route vanuit Olgii opnieuw vervoegen. Wij vinden dat we alvast de mythe van de ‘hel van het Noorden’ hebben ontkracht – of de obstakels op wonderbaarlijke wijze hebben ontzien. Neen integendeel, deze route verdient een aanbeveling voor alle fietsers – niet dat we hier met velen zijn…

Op aanbevelen van fietsers die ons voorgingen– houden we in het doorgangsdorpje Nomrog halte bij een klein hotelletje. De eigenaar heeft nog voor de Mongoolse ambassade in Berlijn gewerkt en spreekt behoorlijk Duits. Wij niet, maar halen ons beste Pfaffs boven – met success. We vallen dermate voor de charmes van het oude stel en het geanimeerde dorpsleven vanop de stoeltjes onder het voorportaal dat we tegen de plannen in hier al onze rustdag plannen – dat mag wel na acht dagen onafgebroken fietsen. Na wat rust en bloggen trekken we verder naar Tosontsengel en dan naar Tsetserleg – onze voorlaatste etape van onze trip naar Ulaan Baatar.

De volledige fotoreeks vind je opnieuw hier .

h1

4 tot 11 juli: Olgii – Ulaangom

juli 11, 2012

We zijn wat lang blijven plakken in Olgii. Was het pure luiheid of gegronde aarzeling omwille van de doemberichten die we opvingen over de wondermooie maar ‘rocky and steep as hell’ route tussen Olgii en Ulaangom? ‘Voeg daar nog een pak zand aan toe’, opperde het Zwiters koppel – zelf ook wijfelend en balancerend tussen dit en een meer bescheiden route door de laagland steppes.  Omdat schoonheid een prijs heeft, zijn we bereid bloed, zweet en eventueel tranen te betalen voor deze beruchte doorsteek – en omdat we ons graag ook nog eens held en goed zot willen voelen. Met deze spirit  vertrekken we dan uit het –naar Mongoolse normen – grootse Olgii. De stad noch guesthouse hebben bij ons een olijke indruk achtergelaten – wij zien de ger en koeien liever in een weide dan in stedelijke chaos staan.

De route leidt ons een poos langsheen de Khovd Gol rivier waar diepgroene loofbomen weelderig groeien in het dal van de anders kurkdroge bergen – we voelen ons in een Marokkaanse oase. Waar de rivier een te uitgesproken omweg maakt, snijdt de weg een wijds golvend landschap aan met een breed palet aan rode tot gele gravel – het rijdt heerlijk en staat niet mis tegen de blauwe tinten in de hemel. Losse gravel – daar houden we minder van – Mongolen net zo min. Een ouder koppel dat ons eerder voorbijstak – we vonden het toen al indrukwekkend hoe de moto gepakt en geladen was – illustreerde even verder het gevaar van schijnbaar vlotte wegels. We zien een moto liggen op de baan – en een kleine puinhoop errond – tot een kinderfiets toe. De vrouw staart ons verbouwereerd aan – een lege pot voor haar uit en daarrond overal gele verf die de man nog hopeloos probeert te verzamelen. ‘Can we help’ en ‘Are you OK’ vraagt Griet nog – maar haar blik blijft ongewijzigd. Wat kunnen wij doen aan haar ontgoocheling om een verre dagtrip naar de stad die nu voor niets blijkt geweest te zijn. We beelden ons in hoe erg het bij ons zou zijn als we een verfpot uit de koffer laten vallen – gewoon terug even naar de Brico rijden – en blijven er even bij stilstaan hoe anders banale ellende hier kan zijn.

Onweerswolken dreigen en sluiers van regen flirten al een hele tijd voor en achter ons – tijd om snel de tent op te zetten – een noodplekje volstaat. We ontsnappen op wat zever na aan het regengeweld en komen tegen valavond tot het besef dat hier zelfs in allerijl gezochte plekjes van onbetaalbare eerste categorie kunnen zijn. De dagen met permanent blauwe lucht zijn geteld en nu we in putje zomer zitten blijken we met het wisselvallige weer rekening te moeten houden.

Ook de rit naar het grote meer ‘Achit Nuur’ verloopt tussen natte sluiers en dreigende hemels – maar blijft vooralsnog droog voor ons.  We vullen onze buidels met putwater – tot twintig liter – en kunnen wel genieten van de aandacht van de plaatselijke jeugd.  De brug van Achit Nuur is de plaats waar een fietser kiezen moet – de makkelijke route rechtdoor of de heuvel op richting Kotgor en vervolgens de onwezenlijke cols omhoog.

De brokken steenkool langs de weg tonen ons de route naar Kotgor, een mijnwerkersdorpje dat Olgii bevoorraadt aan energie en voorts geen reden tot bestaan lijkt te hebben. We draaien nu helemaal rond de Achit Nuur heen en de weg wordt hier en daar een zandbak. Griet gaat een tweede keer onderuit – met schaafschade en blauwe plekken – haar afkeer voor zand blijft groeien. Tussen de zesendertig sporen kiest Freek er het enige verkeerde uit – “misleid door een verdwaalde brok steenkool”, verklaart hij achteraf. We kamperen die dag op het punt waar we beiden geen meter verder kunnen – langs de foute weg. We zijn pompaf en deze keer kunnen de onvermijdelijke bezoekers ons minder bekoren. Griet kijkt wat verveeld toe wanneer een bende halt houdt aan onze post en  – rustig sigaretje rokend – aandachtig toekijkt op werkelijk alles wat we doen. We zullen het nog dikwijls meemaken – privacy behoort echt niet tot de Mongoolse cultuur – dat is nog steeds wennen. Op deuren wordt nooit geklopt en zelfs voor een grote boodschap op je eigen alleen, bestaan hier amper oplossingen. We zien geregeld mensen hurkend langs de weg – rustig voor zich uitkijkend.

De donderwolken halen ons in wanneer we daags nadien Kotgor proberen te halen – op een vals plat met venijnige keien. We rijden pas tegen vieren in kadans het zwarte dorp binnen en krikken ons op aan een portie Kuushtuur – de schapenbeignets – vooraleer dieper de opnieuw groene vallei in te rijden die ons naar de eerste col leidt. We zetten onze tent op tussen een koppel ‘deer stones’ en een gigantische hoop keien – respectievelijk grote rechtopstaande grafstenen uit het bronzen tijdperk en grafheuvels om gevallen helden te eren. Wij houden van de plek en zijn niet alleen – vooral de steenhoop is populair, het lijkt de enige plek met gsm-bereik. We zijn met al die verwonderde blikken over de hoeveelheid bagage die we meezeulen nu zelf ook aan het twijfelen geraakt – hebben we niet te veel mee? De anderhalve kilo geleende vogelgids – van China nota bene – die Freek amper naslaat kan moeilijk de brandstapel op, de Estse sjaal die we cadeau kregen gaat na beraad wel in vlammen op.

‘s Morgens zien we tientallen ruiters met gepimpte paarden richting dorp rijden – er blijkt een Nadaam te zijn, het belangrijkste feest van het jaar. De verleiding om terug zeven kilometer te zakken voor wat folklore is groot maar wij moeten er eigenlijk nog zeven omhoog. We halen de top van de Bairam Davaa  tot onze verbazing zonder bloed en tranen en met amper zweet – het vals plat van de dag voorheen heeft ons blijkbaar hoger dan gedacht gebracht – wat is er nu aan van al die doemberichten? Pas als we er aan de andere kant beginnen af te rijden, beseffen we aan welke ellende we zijn ontsnapt en groeit een oprecht respect voor fietsers die het in de andere richting deden. Steep as hell is een understatement, we worden ongemakkelijk bij de gedachte dit duwend te moeten doen – onze herinnering van de eerste Mongoolse bergrit in gedachten. We voelen ons even later ook onredelijk bevoordeeld wanneer de Ureg Nuur voor ons verschijnt – een prachtblauw zoutwatermeer. Zij hebben dit mooie zicht immers steeds in hun rug – nat in het zweet – gehad. We nemen geregeld de tijd om te stoppen – het wordt onze mooiste afdaling tot nog toe.

We gaan voor een eerste klasse kampeerplek aan het meer – bugfree volgens Lonely Planet – en rijden genietend de avond en de oever tegemoet – de enige steen- en zandvrije plek waar onze tent staan kan. Miljoenen als muggen zoemende eendagsvliegen wachten er ons op –check de zwarte puntjes op de foto’s  – maar laten ons voorts met rust. Het is er heerlijk verblijven – parelduikers zwemmen vlakbij en een kudde paarden komt net voor zonsondergang verfrissing zoeken en dorst lessen. Ook wij nemen ‘s morgens een duik in het heldere water alvorens koers te zetten naar Ulaangom.

Net als we willen vertrekken, zien we twee objecten traag onze richting uitkomen – dat zijn geen moto’s noch paarden of kamelen – maar fietsers warempel. Eric en Kate zijn twee vrolijke amerikanen – we blijken op hun trip van Ulaan Bataar naar Olgii de eerste fietsende tegenliggers te zijn – ze zijn euforisch en we blijven wel een uur kletsen langs de weg. We delen nieuwtjes over de route die ons elk nog te wachten staat – we proberen de pil van de nakende klim voor hen te vergulden – en doen wat onozel als het kiekjesmoment daar is. We vullen de rest van de dag met gestaag klimmen – nu eens door een met keien bezaaid rivierbed en dan weer over heerlijk lopende aardewegjes in een grazig groen landschap.

De col nabij – onze laatste van deze etappe – brengt een paardenkoers wat afleiding. We zien jonge ruiters in alle kleuren kriskras door de hoogvlakte galoperen – achterna gezeten door jeeps met toeschouwers – ook hier is het Nadaam. We doen een wens bovenaan de col – met de vogelgids als offerande – en zakken vervolgens in een haast rechte lijn negenhonderd meter en twintig kilometer ver de vlakte in richting Ulaangom.

Wanneer we daar na een korte ochtendrit over een puntgave betonweg aankomen, blijkt de stad net een collectief verlof te hebben ingezet – drie dagen Nadaam betekent drie dagen geen supermarkt, restaurant of internetcafe. De hotels blijven gelukkig wel draaien – wij zoeken er eentje uit  met vriendelijke hotelbaas die ons graag zijn computer en internetverbinding uitleent. We gaan tussen het bloggen en wassen in toch even de sfeer opsnuiven op het Nadaam plein – waar worstelaars het tegen elkaar opnemen en ruiters in traditionele kleren voor een tribune komen paraderen. Daarrond een drukte van jewelste met eet- en speelgoedkraampjes en fotostands waar gezinnen hun familiefoto actualiseren voor een groot spandoek met bekende sumo-worstelaars, een berglandschap of nationale symbolen – het is een traditie hier, we zien enkel dit soort foto’s in gers hangen. We krijgen een deja-vu gevoel wanneer plots de wind aansteekt en gedonder in de verte klinkt – verlaten de drukte en halen nog net een voorportaal wanneer de sluizen hier opengaan. We krijgen een stevige portie regen te verwerken en dat past ons wel – zo net tijdens onze rustdagen hier in Ulaangom.

Morgen mag het hier terug het land van de immer blauwe hemel worden – want wij zetten koers richting Tosontsengel, eerst nog eens de zandbak in en dan richting de bergen van de Arkhangai, Centraal Mongolie. We tekenen deze keer voor  vijfhonderd lange kilometers zonder stad – het zal dus even navenant stil worden op onze blog.

Zoals steeds vind je de volledige fotoreeks over dit bericht hier. De foto’s in de weblog zijn een beperkte selectie in lage resolutie.

h1

26 juni tot 3 juli: Khovd – Olgii

juli 4, 2012

Van nu af aan blijven we trouw aan ons zadel. Onze laatste fietsfeiten dateren van de Gobi-trip rond Boon Tsagaan Nuur zo’n week geleden – we hebben er
zin in en zijn er klaar voor. Voor de 240 km naar Olgii geven we onszelf 5 dagen – Freek zoekt opnieuw naar kleine wegjes – verkeer kan immers verstorend werken op onze eerder gestelde voornemens…

We zijn verblijd door een nieuw landschap wanneer we Khovd uitrijden –  bergen zoals we ze nog niet zagen – een ondergrond die lekker bolt. We vinden onderweg restanten van een ger die we ‘s avonds dankbaar verwerken tot een kampvuur. Heerlijk om opnieuw en vooral zelf onze buitenkeuken op te zetten – vodka-cola en nootjes als aperitief.

Minder aangenaam zijn de muggen waarmee we kennis maken – wanneer Freek water gaat halen aan de rivier volgt een leger hem in zijn kielzog. Daags nadien doen ook dazen hun intrede – we vinden het gemenerds maar we slaan ze fietsend van ons af. Het zijwegje loont – we genieten met volle teugen van het landschap en de behoorlijke vaart waarmee we er door cruisen – onze eerste sneeuwtoppen in de achtergrond.

Een passage aan de  ‘guanz’ van een Kazhaks dorpje brengt afwisseling in ons gebruikelijk middagmenu – geen Chinese noodles uit de thermos maar deze keer ambachtelijke ‘kushuur’. Heel het dorp komt er om, hapklare met schapenvlees gevulde beignets – op zijn best met pikante saus.

Pikant is ook onze monsterklim naar onze eerste col van deze trip – wel zestien kilometer lang, drie teveel volgens Griet. Bovenaan grazen kamelen tegen een achtergrond van besneeuwde bergtoppen – een nieuw beeld voor ons beiden. De hoofdweg duikt van daar af aan een brede vallei in – wij besluiten onze potentiele energie te behouden en volgen twee dagen lang een prachtwegel op een hoogvlakte aan de voet van een sneeuwberg – lichtjes heuvelend, zo hebben we het graag. We kamperen tussendoor op een heuvel met een 360 graden-panorama en voelen ons beiden Khan tot aan de horizon.

We krijgen de volgende fietsdag een eeuwig durende afdaling en randanimatie langsheen het tracé – honderden roodvleugelsprinkhanen minnen de warmte op de wegen en vliegen in het rond wanneer wij komen aandraven. Vette aas-krekels werpen zich op verkeersslachtoffers en vallen vervolgens zelf ten prooi aan onze smalle en andermans dikke banden – een Mongoolse vicieuze cirkel… Dit soort banaliteiten kan ons boeien terwijl we tijdens de klimpartijen met de neus naar de grond aan het stampen zijn.

We houden het bekeken na de laatste col van de etappe en met Olgii in oogbereik zetten we tussen sprinkhanen en krekels onze tent nog eens op. Voor de eerste keer kijken we met minder goesting uit naar de luxe van een stad en rekken we de tocht omwille van dat heerlijke buitengevoel – en de eigenbereide champignonpuree met ajuin en kaas …

Een breed uitwaaierend rivierbos en keienbed scheiden ons nog van het
meest westelijke punt van de trip – Olgii – we hebben er nog even ons werk mee. Net voor de middag rollen we een Lonely Planet aanrader binnen – enkele Mongoolse en Kazhakse tentjes op een stadswerf bij elkaar gezet – niet direct iets wat de naam ‘blue wolf camp’ vooraf deed uitschijnen. Maar de glimlach van de staff maakt veel goed – we bestellen er dadelijk de elders onhaalbare omelet. Al snel duiken ook de eerste niet-spleetogen op – een Hollands en Australisch koppel met jeep, een bende franse oudjes op 4×4-pensioen en zowaar een Zwitsers fietskoppel dat net als ons van Olgii naar de hoofdstad toe rijdt. Aangenaam om eens verbaal te communiceren, maar wij snakken na twee rustdagen toch weer naar het wij-alleen-tussen-de-mongolen-gevoel.

We zetten ons schrap voor een stevige portie klim-en duwwerk naar Ulaangom – op een boogscheut van Rusland – en berichten daar graag hoe we die klus er van af hebben gebracht.

Een volledige fotoreeks over dit bericht vind je hier. De foto’s in de weblog zijn een beperkte selectie in lage resolutie.

h1

22 tot 25 juni: Altai – Khovd

juli 4, 2012

Van de vierhonderd vijfentwintig kilometer tussen beide steden hebben we er niet een gefietst – en toch verdient deze etappe een bericht op de blog. Een lift van die omvang is immers een reis op zich – een last minute-project waarbij niet jij de touroperator kiest, maar hij eventueel wel jou. Hoe lang het duren zal en langs waar je rijden zal, of je ruimte hebt voor een al dan niet twee billen – het zijn ongekende parameters wanneer je met een duim omhoog langs de kant van de weg gaat staan.

Griet is vastberaden om met een kleine vrachtwagen onze slag binnen te
halen – een familie uit Khovd die van hun winterverblijf uit UB terugkomt. Achter de drie zitplaatsen is een ruimte van 40 cm breed waar wij mogelijks wel in zouden passen. Een tweede vrachtwagen rolt binnen in de garage waar we op een lift aan het azen waren. Ze blijken samen met onze kanshebber karavaan te maken – en bij hen kunnen onze fietsen nog net bovenaan de vracht worden geschoven. We maken een snelle – en bovenal dure – deal en weg zijn we voor een rit van zo’n twaalf uur. Sinds we eerder de overvolle busjes hadden gezien zijn we blij met het comfort in onze shuttle – er klinkt een aardig muziekje en de sfeer zit goed. Na een uurtje wippen twee passagiers over in een auto die dezelfde richting uitgaat en zo krijgen we beiden onverwacht een volwaardige zetel in de cabine.

We tuffen gezapig door de Gobi . Atencharl, chauffeur van beroep, rijdt aandachtig en voorzichtig – wat wij in het bijzonder wel apprecieren. De vrachtwagen met onze fietsen baant ons de weg en zorgt voor wat beweging in het stilleven waar we op uitkijken. Dat vertroebelt prompt wanneer we ons mikpunt op een verhoogde berm alsmaar schuiner zien hangen – twijfelend eerst maar dan gedecideerd plat tegen de grond. Het is ijzig stil in onze cabine – ongeloof over dat zoiets kan gebeuren en ongerust over onze karavaangenoten. Wanneer die er alle drie zonder kleerscheuren uitkruipen, slaat ons gevoel om in een lam makende onverhooptheid. Ruim een ton wortels, appels en paprika’s en een volledige ger liggen nu niet onder, maar tegen onze fietsen aan. We praten er niet over, maar in ons hoofd hangt de gedachte van een door het noodlot afgedwongen wending in onze fietsreis.

Onze kameraden blijven er rustig bij en beginnen de vracht af te laden om zo het gevaarte te kunnen rechttrekken. Wij helpen mee maar houden de focus voortdurend op onze geknelde fietsen die er pas als laatste uit kunnen. De schade lijkt in eerste instantie mee te vallen – Griets bagagedrager heeft de klap grotendeels geincasseerd en is geplooid. Alles nauwgezet nakijken kan nog niet – of lijkt ons alvast op dat moment niet gepast als prioriteit. Er ligt nog steeds een vrachtwagen tegen de vlakte en we moeten hier kost wat kost weg geraken.

Freek houdt twee rallywagens uit Estland tegen en vraagt of ze naast het uitvoerig filmen en fotograferen van onze ellende ook de handen uit de mouwen kunnen steken. De vrachtwagen wordt rechtgetrokken en maakt tot onze verbazing dadelijk een succesvolle testrit. Een van de Esten wijst me honderd meter op een grote betonnen pijler in de berm – dat het dus veel erger had gekund. We krijgen van hen nog een sjaal als souvenir en de link naar de filmpjes die ze van ons maakten en dan zoeven ze weer verder. Internet-ramptouristen moeten we teleurstellen – we verloren de link naar hun site en vinden van hen geen spoor terug op het web.

Vier uur later zijn we weer op weg – dit wordt nachtrijden om onze bestemming te halen. Er heeft net een zware storm over de Gobi geraasd – woestijnen veranderen even in wetlands. Heel mooi, maar extra obstakels voor onze trip. Atencharl valt na middernacht haast in slaap achter zijn stuur en vraagt aan Freek om over te nemen. Wij proberen de wijze raad van ‘Kijk Uit’ in gebarentaal aan de man te brengen en overtuigen de karavaan om te stoppen en allen even bij te slapen.

Bij dageraad hervatten we de rit en net voor de middag schijnen we ons doel bereikt te hebben – een dorpje op zo’n 80 km van Khovd. Atencharl beloofde ons Khovd als eindbestemming, maar stelt ons graag – en de keuze hebben we eigenlijk niet – eerst een randprogramma voor. Hij heeft snoep en vruchten uit Ulaan Baatar mee en die dienen rijkelijk te worden bedeeld aan vrienden en familie in de buurt. We zijn doodmoe en uitgehongerd – voor de eerste stop bij twee oudjes wordt ons dus een lunch en siesta beloofd. Freek bepaalt de volgorde en valt op uitnodiging van onze gastheer prompt in een diepe middagdut – ondertussen doet de rest zich tegoed aan een overdaad aan snoep – het lijkt haast  Sinterklaas.

Voor de lunch trekken we naar een andere tent temidden de vlakte. Er werd net een geit geslacht en iedereen verheugt zich zichtbaar op het feestmaal dat daarbij hoort – ingewanden op zijn Mongools. Het recept is eenvoudig – hart nieren, longen, lever, maag en darmen in een grote pot water een poos aan de kook. We hadden naar een ander soort lunch uitgekeken maar zijn desalniettemin gecharmeerd door de authenticiteit van dit tafereel: iedereen werpt zich gewapend met mes op de grote kom en zoekt er met haast dierlijke trekken de vetste en dus beste stukken uit. Wij mengen ons niet in de strijd en krijgen nu en dan een brok aangeboden waar we – eens in de mond – telkens de herkomst van gissen. Mongolen eten efficient – na tien minuten heeft iedereen zijn kilo ingewanden inwendig gemaakt  en wordt er, boerend en vezels tussen tanden uitpeuterend, uitgerust – niet zonder na te snoepen natuurlijk.

Wij vinden het stilaan tijd om naar Khovd te trekken – we snakken wederom naar een douche en een echte lunch – en brengen de eeuwig durende lift
terug in beweging. Niet voor lang want we houden een half uur later halte bij Atencharls zus waar de menu opnieuw ingewanden en snoep luidt – wij passen beleefd. Buiten kijken we toe hoe ‘anders’ men Mongoolse paarden opleert. De schoonbroer heeft een ranch met wel 120 paarden en die worden op vermoedelijks aloudse maar gruwelijke manier getemd – stampend en tot bloedens toe. Griet kan haar verontwaardiging moeilijk verbergen.


Twee Sinterklaasbezoeken en een laatste panne later, bereikten we dan toch Khovd-city. We slaan het overnachtings-aanzoek van Atencharls vriendelijke echtgenote niet af – het is namelijk weeral nacht als we aankomen – maar maken ons bij dageraad wel snel uit de voeten. We denken een overdosis mongoolse gastvrijheid te hebben opgelopen – en hebben dringend nood aan wat privacy, toegang tot onze eigen knapzak en een verkwikkende douche. De fietsen worden opgelapt en uitgeblutst en doorstaan met glans een bepakte proefrit naar het hotel.

We dromen na al die gemotoriseerde kilometers opnieuw van kuitenbijters en wild kamperen en maken ons in twee rustdagen op voor de rit naar Olgii – met de fiets natuurlijk!

 

Een volledige fotoreeks over dit bericht vind je hier. De foto’s in de weblog zijn een beperkte selectie in lage resolutie.

h1

13 tot 21 juni: Bayankhongor – Altai

juni 26, 2012

Met de Gobi achter de kiezen blikken we in Khovd – al aardig in het westen – terug op  onze doorsteek van zo’n 800 km mongools braakland. Wie nu al aan het uittellen is wat een prestatie dat pedaalsgewijs moet geweest zijn, is eraan voor de moeite. Drie kwart van de trip beleefden we in een camionnetje – uit vrees voor een woestijnindigestie – maar pas nadat we met veel smaak die eerste 200 km hadden verteerd. Trop is te veel en de hele weg lang naar Khovd fietsen zou ons nog twee extra weken en een reeks gebroken spaken bezorgen. We willen van elk wat en houden onze krachten en fietsen gespaard voor wat nog komen moet. Ons gobi-avontuur bestrijkt wel de de volle 800 km. We delen het bloggewijs op in twee luiken – waarvan alvast hier ons verslag van de rit van Bayankonghor naar Altai.

  Bayankongor in de rug

Het wordt een late start – bij valavond zitten ze op de fiets. Bloggen en al wat er bij kijken komt vraagt meer tijd dan voorzien – we zo brengen we een halve dag door in het internet café. Bij het uitrijden van de stad maakt Griet onaangenaam kennis met wasbordwegen – diepe harde ribbels met los zand erin en ernaast. De ribbels zijn gewoon ongemakkelijk voor de bips, het zand is ongewoon gemeen voor een bepakte kader met smalle bandjes en zijn bestuurder. Een val zonder erg voor Griet – maar van dan af aan wel een blijvende ergernis als zand zich ergens opdringt op het parcours. Deze woestijn bevalt ons wel – immense stenen vlaktes met kleurnuances die we graag onthouden voor als we thuis de keuken zullen schilderen. De rivieroversteken zijn droog -met de voeten in het zand – en de glooiingen zijn zacht, anders dan die onheuse klimpartijen van onze eerste fietsweek.

   op kracht komen na zandval

picknickplek zoeken onderweg

We fietsen op de hoofdweg naar Altai. Dat betekent niet wat men er bij verwacht – een duidelijk en hoofdelijk spoor. Neen, de spaghetti aan wegjes wordt enkel breder en bestrijkt marges tot wel twee kilometer breed. Het is desalniettemin makkelijk navigeren – in de verte wijzen linkse en rechtse zijdelingse stofwolken van vrachtwagens en jeeps er ons op dat we nog steeds in de juiste pastabundel zitten – en ondertussen lijkt het alsof we daar helemaal alleen op het einde van de wereld fietsen.

  bundel wegen door Gobi

  droom-kampeerplek

We komen terecht in een droge vallei met vreemde bulten – alsof een reuzemol er aan het werk is geweest. Dichterbij gekomen zien we ook gaten in de grond, sommige wel 5 meter diep. Hier moeten de Ninja-turtles hebben toegeslaan. Het zijn illegale goudzoekers die met schop en emmer op de rug hun geluk beproeven in de goudrijke rivierdalen van de Gobi – een behoorlijke aanslag op het milieu, want het mercuur en cyanide om goud van steen te scheiden blijven er in de grond achter.

  sporen van de Ninja-Turtles

Wij blijven gespaard van goudkoorts en zetten verder tred naar het westen – we hebben een beperkte watervoorraad en willen daar graag zoveel mogelijk kilometers uit halen. Ondanks een pitstop op 50 km van Bayankonghor dreigt onze motor droog te vallen na zo’n 130 km en vier dagen fietsen. Temperaturen van 40 tot 45 graden in de zon maakt deze nood aan vocht nog flagranter. We besluiten te rantsoeneren, hoe ongezond dat ook mag zijn – van kattewasjes is al even geen sprake meer. Ook het terrein werkt tegen – de 20 km die ons scheiden van een dorpje lopen door een zanderige ziedend hete vlakte. Fietsen kan enkel in kleinste verzet – stap tot slentersnelheid. Halen we dit nog wel? Zijn we zotten of helden in spe? Een passant denkt het eerste en stelt ons een lift voor – wij beschouwen dit als een geschenk uit de blauwe hemel en een behoorlijk efficiente oplossing voor onze groeiende watersnood en zandfobie.

  Freek op zoek naar gsm-bereik

En zo komt ‘Bag’ dan toch sneller in het vizier dan verhoopt – het blijkt geen dorp maar eerder een verzameling van gers te zijn – pitstoptentjes voor camioneurs en busreizigers naar het westen. Freek droomde al uren  van een zwembad en in Bag wordt hij op onze wenken bediend. Een rijk gevulde rivier doorkruist er de woestijn – een surrealistisch tafereel – en neemt zoveel warmte van haar op dat het water badtemperaturen haalt. We zetten twee dagen ons kamp op aan de oever om watergenot en –verbruik te maximaliseren. Nu en dan een duik, kleren wassen en een vochtige doek die als frigo dienst doet om ons vodka-orange te laven. Zandstormen rond het vieruurtje herinneren er ons aan waar we zitten en waar we ons straks terug in moeten storten, 150 km verder westwaarts – zonder pitstop of zwembad.

  afkoelen

  aankondiging zandstorm

We willen graag nog een ommetje langs de Boon Tsagaan Nuur, een immens meer met behoorlijk wat gevogelte. Het plan is om via kleine wegels – we hebben het nog niet afgeleerd – richting meer te fietsen en daar een waterput te zoeken die we op een oude russische kaart terugvonden. Deze tactiek had eerder ook al eens gewerkt en bezorgde ons water om ons te wassen en desnoods te drinken.

Mongoolse wegen – deel twee: wanneer het substraat bestaat uit een platte vlakte met kleine kiezels en wat zand ertussen wordt het onderscheid tussen weg en niet-weg behoorlijk klein. Als er aldaar ooit een weg op kaart is gezet, berust dat eerder op willekeur of esthetische noodzaak van de cartograaf – ‘ik moet toch ergens mijn lijn trekken’. Wij navigeren zo’n 20 km richting waterput – louter op kompas en onze eigen weg banend – maar steeds in de hoop of waan terug op zo’n weg op kaart te belanden. De hoeveelheid zand tussen de stenen oordeelt of we fietsen al dan niet moeten duwen – we maken een fikse woestijnwandeling.

  kompasrijden

  windscherm opzetten

Rechtdoor gaan zonder obstakels brengt een fietser in automatische piloot – Griet begint te dagdromen. Het wordt namiddag, en forse wind steekt op – net uit de richting waar die put moet liggen. Dromen zit er niet meer in en Freek belooft Griet opnieuw een zwembad om de motivatie op te krikken. Skeletten van paarden en kamelen illustreren toepasselijk hoe medogenloos het daar kan zijn. Onze put vinden we – toch iets wat we kunnen vinden – maar blijkt kurkdroog. Dan maar koers naar de Nuur, het grote meer – althans op kaart.

  variatie in het landschap

  Waterput checken

Een laatste vijf kilometer kompasrijden brengt verlossing – een echt meer met veel vogels – en wat muggen, maar die worden op zo’n droomplek getolereerd. We gunnen onszelf opnieuw een adempauze en lossen een extra luilekkerdag in – tarp opzetten en genieten van schaduw en bries. ‘s Morgens zien we wel vijfduizend steppehoentjes aanvliegen naar de oever van het meer om een reserve te maken tegen woestijndorst. Een spectaculair aanzicht – van zo’n hoenderweelde krijgt een mens trouwens zin in een gebraden exemplaar – Freek oefent tevergeefs zijn jachttechniek met steen en lokroep.

  chillen aan Boon Tsagaan Nuur

  klucht steppehoenders

Het zware woestijnrijden en tegenwind trotseren indachtig, besluiten we van ons plekje aan het meer terug te rijden naar Bag om er vervoer te zoeken naar Altai. Griet heeft de buik vol van zand en we krijgen dit terrein met veel te kleine etappes de baas. We stoten zowaar op een weg – die dan weer  niet op de kaart staat – maar moeten al snel terug de vlakte om op kompas onze bestemming te bereiken. Temidden het niets botsen we op een verzameling wit gebeente – op zich niets bijzonders, maar dit waren menselijke resten. We blijken in een kerkhof beland te zijn – wat daar begraven wordt, komt al snel terug aan de oppervlakte en valt ten prooi aan aas- en beeneters. Een akelig zicht en wat vreemd om uitgerekend dit als eerste teken van leven te aanschouwen na uren woestijncruisen.

  een duidelijke weg

  tegenligger

In Bag aangekomen krijgen we eten en onderdak in een van de wegrestaurantjes en nemen we de tijd om opnieuw een integratiecursus te volgen. Die tijd hebben we zat – een lift schoppen naar Altai kan wat duren – haast alles wat passeert zit eivol of heeft een ladderzatte chauffeur. Ondertussen krijgen onze fietsen alle aandacht en leert Griet engels aan de kinderen die er rondhangen. Tegen de middag grijpen we onze kans door met een familie in minibus te onderhandelen – voor 50.000 toegroek maken we een goede deal.

  Mongools wegrestaurant-dorp

 

  bekijks in Bag

Na een vlekkeloze rit komen we in de schemer aan in Altai, hoofdstad van de Gobi. Ook daar eivolle hotels ‘because of the elections’ en bij gebrek aan Tony Montana en na een lange nachtelijke onderhandeling slapen we in de berging van een hotel. We willen hier snel weg en dat kan enkel met een lift naar Kovd – 400 km en minstens 12 uur rijden verderop. Allerminst een evidentie – bussen komen van de hoofdstad en vertrekken daar pas wanneer ze volgestouwd zijn tot de nok – we zien er twee aan ons voorbijgaan. We stellen ons strategisch op aan plaatsen waar sjieke mensen met jeep parkeren – in de hoop dat zij ons te hulp schieten. Die strategie is efficient – Griet wordt binnen het kwartier omringd door vijf mensen in maatpak die prompt beginnen te telefoneren om ons te depanneren. Tunga doet het hardst haar best – zij gidst ons naar een garage waar reizigers meestal stoppen op hun trip naar het Westen. Het is er stil die dag – in afwachting van een verlossend telefoontje van de garagehouder vatten we post aan het benzinestation op de rand van de stad om te liften. We socializen er met de pompbediende en versieren er noodgedwongen een aanpalende cabine om de nacht door te brengen. Morgen wagen ze opniew onze kans.

  wachten op een lift

Een volledige fotoreeks over dit bericht vind je hier. De foto’s in de weblog zijn een beperkte selectie in lage resolutie.

h1

1 tot 12 juni 2012: Ulaan Baatar – Bayankhongor

juni 25, 2012

En weg zijn we – onze eerste pedaaltrappen leiden ons snel Karkhorin uit. We mijden de grote weg en kiezen voor de scenic drive langs de Orkhon rivier om onze tocht naar het westen aan te vatten. Kiezen voor de ‘kleine wegjes’ is een Belgische gewoonte die we hier later nog wel zullen afleren. Even euforisch als over ons fietsdebuut besluiten we spoedig het kampeergenot te proeven. Mongolie is één grote camping met vrije keuze aan standplaatsen. Die van ons biedt zicht op de riviervallei en heeft citroenkwikstaart en kirrende jufferkraanvogels in petto. Hier rondlopen zonder verrekijker zou een marteling zijn. Het kamperen, in het bijzonder het koken op ons benzinevuurtje, vraagt wat inwerktijd en leidt tot frustraties bij Freek – een prima excuus voor het late uur waarop we de eerste fietsweek quasi standaard vertrekken. Ontbijten en geprul aan fiets en/of brander vormen steevast het voormiddagprogramma – en genieten natuurlijk – van de uitgestrektheid rondom onze tent – keer op keer.

  Fietsen in Orkhon vallei

 Wild kamperen

 Onze tarp in actie

Voor de trip van Karkhorin naar Bayankonghor steken we een nationaal park middendoor – rode stippellijn op de wegenatlas – dat bestaat uit wijdse rivierdalen en heuse bergen met naaldwoud. We maken er uitgebreid kennis met het mongoolse wegennetwerk en beginnen er langzaam aan een systematiek in te zien. Zo is één geen. Elke weg wordt geflankeerd door zijwegjes en sporen allerlei –zoek zelf maar uit welk het beste is – wat leidt tot permanent kiezen onderweg. Bruggen zijn voor sissies – Mongolen doorkruisen rivieren met de voeten in het water. Wij maken van onze eerste oversteek een expeditie op zich – inclusief trajectstudie en risicoanalyses wat eventueel wel en zeker niet nat mag worden. De tientallen andere die volgen doen we daarna gewoon op zijn mongools – oversteken zonder nadenken.

  typische mongoolse weg door vulkaanlandschap

De grootste obstakels in onze eerste fietsweek en overigens nog een kenmerk van het Mongools wegennetwerk vormen de venijnige klimpartijen op het parcours. Van bult over heuvel tot echte berg – allen worden ze bereden met een hellingspercentage waarvoor men bij ons de respectievelijke ingenieur een levenslang beroepsverbod opleggen zou. We geven het graag toe, zo’n rechttoe-rechtaan-kerf in het landschap geeft van ver mooie perspectieven maar kan van dicht een trompe-oeuil effect in zich blijken te hebben.  Zo zien we enkele keren het licht uitgaan in het Naiman Nuur National Park en komen we tot het inzicht dat een bergmassief doorsteken in onze startweek misschien niet de beste keuze was.

  monsterklim in Naiman Nuur national park

 duw-ellende

Tot die conclusie komen we wanneer we na een stevige portie duw-ellende op een col twee franse vissers tegenkomen. We zetten ons allen rond de GPS en zoeken naarstig naar een uitgang voor dit verdwaalde koppel Belgen. Hun gids beweert dat de rode stippellijn die we pogen te volgen geen haalbare kaart was – we zouden het best een rivierdal verder proberen. Erg was dat niet – het was er wondermooi en tijd hebben we zat.

 allen rond de GPS

 binnenweg naar Bayankongor

Met trial en error en bijkomende ups en downs, maar steeds in een immer gaaf decor met yaks en paarden, zijn we na drie dagen dan toch op een spoor beland dat naar algemene respons van mensen terplekke naar Bayankonghor leiden zou – mits we nog de 135 km erbarmelijke weg wilden doorstaan. Een gigantische col waarvan de laatste twee kilometer – voor de eerste vier kochten we een kaartje bij een boomhandelaar met truck – ons twee uur armwerk vroeg, deed ons de das om. Het zicht bovenaan het hoogplateau was wondermooi maar onze pijp was uit.  Freeks band bleef lek ondanks drie plakbeurten en de speling in Griets balhoofd bleef ons ook achtervolgen – het was hoog tijd voor een vervroegde pitstop.

 Jakke de yak

Als bij toeval vertrok er daags nadien aan ons laatste campingplekje een kleine jeep naar Bayankonghor. Het werd onze eerste grote lift en tevens onze eerste kennismaking met Mongoolse gastvrijheid en tradities. Die kunnen zowel ontroeren als beroeren – meer daarover later meer. De bergrit deden we met negenen – in zo’n oude russische jeep die vooraan wordt aangezwengeld met Mongoolse paardenkracht. Naast de fietsen op het dak, sleurde onze kar nog een vracht hout mee – die dienst deed als achterbank – en een zak yakwol, samen een best comfortabele combinatie. We hunkeren naar opnieuw wat comfort – een warme douche in plaats van het kattewasje aan een koude riviertje bijvoorbeeld. We schatten tijdens de rit naar Bayankonghor de haalbaarheid van onze wensen in met reisgids – ‘rooms are stricty no-frills but they are clean and functional and some come even with their own showers’ – en kijken uit naar onze eerste rustdag.

 prachtig hoogplateau als afsluiter van eerste fietsweek

Dat onze lift ons bij aankomst avondmaal en overnachting aanbood in eigen ger, is geen mongoolse verrassing. We stellen de hotelluxe nog even uit en strekken ons uit in hun ger – er wordt een berg dumplings gemaakt (met lam gevulde deegzakjes) en zoute thee wordt uitgeschonken – de gefermenteerde paardenmelk waar we over lazen, komt vooralsnog niet uit de kast – gelukkig maar.  ’s Avonds verbroederen we met bier en snuifdoos en eens het licht uitgaat, vallen we als een blok in slaap. Met een nacht uitstel vatten we ‘s morgens vroeg onze queeste naar wat luxe  aan in Bayankonghor, een kleine stad met zo’n 20 000 inwoners die andere bloggers al eens omschreven als een post-nucleair oorlogsdecor. Ze zaten er niet ver vanaf – met aftandse Russische buildings die er langs achter nog erger uitzien dan hun erbarmelijke voorkant. ‘Esthetiek’ kent geen vermelding in het mongoolse witboek van Openbare Werken – gelukkig overstemt natuurlijke pracht van landschap dit tekort aan stadsfatsoen.

We stoppen na een bondige screening voor het hotel dat de oorlog het best leek doorstaan te hebben en botsen er op een Russische njet die ons hier vreemd overkomt – alles zou volzet zijn. Extra aandringen brengt een voet tussen de deur – een man mengt zich in het debat aan de balie en wil zekerheid dat we maar één nacht blijven. Hij blijkt de hele keet te hebben geboekt – en de controle over het hotel – en wil dat zo houden. Mongolie is in volle verkiezingsstrijd en overal ter lande wordt hard campagne gevoerd door een armada aan medewerkers uit Ulaan Baatar – en die hebben ook de beste kamers nodig. Als we hier iets willen uitleggen doen we dit steevast in onze eigen taal– dat overtuigt namelijk beter in combinatie met het handenspel. We zijn daar nooit echt ver mee geraakt – maar Bayankonghor vormt een uitzondering. Die avond zitten we namelijk met de man van de balie in het restaurant te dineren en ons in ‘s lands beste vodka te verdiepen – op zijn kosten nota bene. Tony Montana – zo noemt ie zichzelf als hij in het glas heeft gekeken – bleek aardig wat nederlands te kunnen uit een vorig leven en was zo enthousiast dat wij dat ook konden dat hij zijn programma best wel wilde aanpassen om zijn nederlands wat op te frissen. Hij was de man die alles regelen kon – en uiteraard kon daar voor ons ook een tweede hotelnacht bij. Ook voor ons is Tony een frisse reiservaring. We ontmoeten hem nu en dan aan de balie en luisteren met plezier naar dat mongools-nederlands accentje en een lach die je enkel in cultfilms hoort. Bij ons vertrek beloven we hem plechtig op onze reisroute campagne te voeren voor de socialisten en met wat geluk ontmoeten we elkaar nog in Ulaan Baatar in augustus – hij staat erop.

De fietstassen zijn ondertussen aangevuld met verse proviand, water en vodka en een fortuinlijke vondst kerosine op de markt stemt ons hoopvol op zorgeloos koken in de Gobi-woestijn – de immense woestenij die wij de komende twee weken op ons programma hebben gezet.

Een volledige en betere fotoreeks vind je hier. De foto’s in de weblog zijn een beperkte selectie in lage resolutie